Jij stak veren in mijn haar en
ik kleurde jouw krijgerswangen
groen toen wij ons indianen
waanden en achterwaarts verdwaalden.
Liever lieten we geen sporen na.
Beslopen we het bos op blote
sokken en vergaten zonnebrand
zodat jij meer roodhuid leek.
Met onze vingers vervlochten
zocht je naar de naden van de
schaduw die mijn voeten volgde
en trok je kartelschaar om haar
voor altijd in jouw knapzak te begraven.
March 2012
8 posts
De flits waar jij niet
stil voor stond al plakte
ik je vast met Pritt
en potten bandenkleef.
Ergens tussen bevend brood
vergat je nooit me te vergeten
dus wreef ik ezelsoren in jouw
stapels steilgestreken kleren.
De tanden die ik gaandeweg verloor
wissel ik voor stuivers in zodat
ik mijn geluk kan kweken in de
kassen van de fruitmachine.
Meermaals liet ik mijn kamer staan
en verhuisde mijzelf in grote dozen
bubbelplastic en uitgekauwd karton.
Ik verzond met postzegels beplakte
brieven naar de 21 gram die je nimmer
verloor al verliet je me vaker.
Soms gaf ik bloemen en dan vroeg je
waarom je iets levend zou houden dat
stervende is en ik vertelde je:
‘Zo heb je dat altijd bij mij gedaan.’
Voordat ik mijn gympen opknoopte
en ik even niet meer was.
Je zette je nagels in alles wat ik liefhad. Elke naad van elk tafellaken haakte je los.
Dan werd ik boos en blies jij. Soms speet het je en bracht je vogels aan mijn voeten. Wanneer je niets gevangen had at je gras. Braakte je op wat je van plan was thuis te brengen. Al was ik geen jager, ook ik had spijt. Spijt van de keren dat ik appelsap morste en spijt van de glazen die ik brak. Jij brak harder.
Vaak plukte ik bloemen als excuses. Dan vroeg je me waarom je iets in leven zou houden dat stervende is. Ik antwoordde dat je altijd hetzelfde bij mij had gedaan. De vazen bleven leeg en tussen de aardappelschillen stapelden paardenbloemen zich langzaam op.
Misschien zou je me vergeven als ik iets voor je ving.
Jij etaleerde etalages op de
maandagmorgen uitgestald onder
roodgloeiend H en M waar ik
zo vaalbleek afsteek naast de
wassen wikkel die jij draagt.
Ik vroeg je naar mijn maat maar
praten lijkt me lastig met twee
lippen op elkaar en een tong die
stijf gestold als ik wanneer ik
duimen doop in warm waxinelicht.
Ik draaide ledematen los en liet
een specht onder je oksels kloppen
in de boombast van jouw borstkas.
Opdat je nog een hartslag veinst
een ogenblik voor sluitingstijd.
Kussensloop klinkt als een autokerkhof waar dromen doodgaan
Hij verdronk in frituurvet en frikadellen. Wij verloren onszelf tussen het fruit. Voor even waren jouw ogen als kwartjes. Flonkerden door het matte tule dat voor je wimpers hing. Zoals muntgeld was ook jij vaak aangeraakt, verzeild geraakt op plaatsen waar niemand anders kwam.
Nu waren we hier. We drukte onze euro’s in knipperende kasten en kruisten onze vingers. De sticker naast de peren waarschuwde ons: ‘Heb plezier in het spel, maar verlies jezelf niet.’ We deden ons best, maar beloofden niets. Het meisje naast ons leek de sticker over het hoofd te hebben gezien. Haar haren waren grijs, haar gezicht geplooid. In haar handen droeg ze een papieren beker. Hij rinkelde elk maal dat ze haar vingers trillend naar de roulette bewoog. ‘Geluk maak je zelf,’ had haar toiletkalender haar verteld. Ze moest minstens zestig jaar hebben weggespeeld. Wij vergokten geen levens, slechts longen. Roken deden we in cabines.
Jij wist als geen ander dat
ficusblad en fotolijstjes
bleken achter glas als jij
wit wegtrok toen je billen
plantte in het koude stof met
een mobiel dicht op je oor
gedrukt zodat ze nergens heen
alleen een beetje slijten kon
in jouw camera obscura terwijl
je uitkeek op betegeld schroot
tot ik je ogen droog blies en
de dekens kneedde naar haar lijf.